Passage

Passage Rotterdam (1879 - 1940)

Zoals nu de Markthal, was de Passage in de vooroorlogse tijd een icoon. Daarom mag een ruime terugblik op die prachtige winkelgalerij, niet alleen voorzien van herinneringen van Rotterdammers, maar ook geïllustreerd met ongeveer 65 foto’s en prentbriefkaarten, prenten en advertenties, in de geschiedschrijving van Rotterdam niet ontbreken. 

 

De auteur heeft deze geschiedschrijving op zich genomen. Het manuscript is inmiddels gereed, maar een uitgever is tot op heden nog niet gevonden.

 

Hieronder het synopsis. 

 

Bij de diepe treurnis over de verdelging van het Rotterdamse stadshart op 14 mei 1940, hebben velen vaak speciaal teruggedacht aan de daarbij verwoeste Passage, het juweel van een winkelgalerij.

De Passage, ooit gelegen tussen de Korte Hoogstraat en de Coolsingel, was een schepping van de Rotterdamse architect Jan Christiaan van Wijk, die in 1885 ook de Passage in Den Haag gestalte gaf. Verder gaf hij vorm aan een allang verdwenen winkelgalerij in Zandvoort. Niet alleen de uit de negentiende eeuw daterende Passage in deze badplaats ging verloren, ook die in Amsterdam. 

Voor zijn studie over passages bezocht Van Wijk allereerst een aantal Europese steden met soortgelijke bouwwerken. Deze historische en luxe winkelcentra, met glas overdekte winkelgalerijen tussen twee straten, waren onder meer gevestigd in Parijs en Londen, Milaan en Brussel.

Het merendeel van die passages als voorlopers van de moderne warenhuizen werden, dankzij de groei van de textielhandel, geschapen in de periode van 1822 tot 1837. IJzer en glas maakten het destijds mogelijk om meer naar vernieuwing in de bouwkust te streven. Die florerende textielhandel bevorderde op zijn beurt de omzet van modewinkels, die in een passage met een glazen dak en marmeren vloer een welkom onderdak vonden.

Bij die ingreep in het stadsbeeld waren passanten niet minder gelukkig, omdat bij de bouw nauwe en vaak vuile straatjes en steegjes uit het verre verleden werden weg gemokerd, en de mensen in de nieuwe onderdoorgangen aan de weergoden konden ontsnappen. Die drastische operatie in Parijs, waarbij ook brede boulevards ontstonden, geschiedde onder verantwoordelijkheid van de stadsarchitect  Georges-Eugène Haussman.  

De meeste passages, alleen toegankelijk voor voetgangers, ontstonden in levendige buurten met theaters en horecazaken, wat klandizie van de winkels aanzoog. Vrijwel alle van die winkelgalerijen in Europa werden zoals in de Rotterdamse Passage door mensen bewoond.

In de dagen dat over de bouw van een passage in de Maasstad werd gepeinsd, was de stad veel kleiner van omvang dan nu. Rotterdammers woonden toen overwegend binnen de oude stadsdriehoek.

Het grondvlak hiervan was de Maas, waarbij de Goudsesingel als de ene zijde fungeerde en de Coolsingel en de Schiedamsesingel als de andere. Die westelijke begrenzing vormde destijds de toenmalige Coolvest, waarvoor het water van de Coolsingel liep.

Huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg schreeuwden om verbetering. Hygiëne liet zwaar te wensen over. Verpaupering onder het armste deel van de bevolking vierde hoogtij. Terwijl de economie na het ontstaan van de Nieuwe Waterweg krachtig groeide en de grootste zeeschepen naar Rotterdam konden opstomen, was er in de dicht opeengedrongen volksbuurten in het stadshart geen sprake van een aangenaam woon- en leefklimaat.

De binnenstad was een doolhof van straten en stegen, sloppen en hofjes, zonder een plein of plantsoen.  De meeste huizen beschikten niet eens over een wc, maar over een ton die elders geleegd moest worden. Aanvankelijk had het stadsbestuur, toen afkomstig uit de deftige bovenlaag, geen slapeloze nachten om de afstand tussen de sociale klassen kleiner te maken.

Voordat het Waterproject van stadsarchitect W.N. Rose in werking trad, staken cholera-epidemieën regelmatig de kop op. Omstreeks 1850 genoot Rotterdam de reputatie de ongezondste stad van ons land te zijn. Maar uiteindelijk drong tot het stadsbestuur door, dat de aanpak van de enorme achterstand niet achterwege kon blijven.

Gezien de slechte financiële gesteldheid was men echter niet onverdeeld enthousiast over de bouw van een overdekte winkelgalerij. Door aanvankelijk onvoldoende uitleg, kwam de vergunning van de bouw daardoor niet een-twee-drie voor elkaar.

Maar na een doeltreffende toelichting kon het werk achter schuttingen op de Korte Hoogstraat en Coolvest, een plek waar in de 14de eeuw ongeveer Kasteel Bulgersteyn stond, een aanvang nemen. In tegenstelling tot de Korte Hoogstraat, kende het betreffende stuk Coolvest, waar het water van de singel later in gedeelten gedempt zou worden, nog geen aaneengesloten bebouwing.

Op 15 oktober 1879 werd daarna de Passage voor het publiek opengesteld. Het bevond zich te midden van het huidige blok Coolsingel, Beursplein, Korte Hoogstraat en Bulgersteyn. De met een glas overdekte winkelgalerij liep toen dwars door de plek, waarop zich in onze tijd het kledingbedrijf van C & A bevindt.

Hoewel Rotterdammers, weinig verwend met stedelijk schoon, eerst sceptisch gestemd waren geweest, waren ze na bezichtiging van de Passage opgetogen. De Passage, honderd meter lang, was aan de beide toegangen zes meter breed, maar in het tussenliggende deel acht meter. Daardoor kregen de mensen, vanaf welke toegang ook, de indruk dat er een ovale straat voor hen lag.

Boven de dertig winkels bevond zich allereerst huisvesting voor de winkeliers en weer daarboven twee lagen huurwoningen, waardoor samenvattend meer dan zestig woningen op de bovenetages waren gebouwd. Ten slotte bevond zich daarboven nog een zolder met een venster.

  • LinkedIn Social Icon