Recensies

De nachtegalen zingen niet meer

'Nieuws van Singel 262′, voorjaar 1965:

‘Het meesterlijk begin van het verhaal - een nachtconcert met twistmuziek waarin het conflict met fijne stilistische trekjes wordt gesitueerd - draagt al de kiemen van het volkomen waargemaakte catastrofale en tegelijk open einde in zich. (..)Men zou de novelle van Romer misschien het best kunnen karakteriseren als een Antonioni-film. De mensen praten wel en interesseren zich schijnbaar voor elkaar, maar in feite praten ze steeds over zichzelf, zodat ieder gesprek op niets uitloopt en ieder contact uitsluit. (..)De novelle ‘De nachtegalen zingen niet meer’ leek ons het geschiktst voor zijn debuut, omdat hij er zich onmiskenbaar mee in de voorste gelederen van de moderne Nederlandse short-story-schrijvers plaatst.’

Johan van der Woude in ‘Land der Muzen/AVRO' op 8 juni 1965:

‘Er staan scherp waargenomen beschrijvingen in; van een jazzconcert en een hysterische zaal, van een brand in een bankgebouw, en verder goed getekende portretten door middel van korte dialoogjes.’

C.M. Reeser in ‘Prisma-Lectuurvoorlichting’, september 1965:

‘Het verhaal geeft een hevig slot met een uitslaande brand in de bank, waaruit de jongeman zich met élan redt. Geeft een uitstekend beeld van een stuk navrante hedendaagse mentaliteit en goede persoonstyperingen. Een opmerkelijk debuut.’

Voor de liefhebbers

Mark Dangin in de Belgische krant ‘Vooruit’ van 18 mei 1972:

 

‘Met een eenvoudig taalgebruik en zgn. prozaïsche woorden bouwt de dichter aan een tragi-komische wereld die, zonder bitter te zijn, vaak surrealistische allures krijgt. Romer heeft met deze bundel bewezen een talentvol dichter te zijn.’

Anton Korteweg in ‘Het Parool’ van 25 november 1972:

‘In de langere gedichten waarin Romer de carrièrekampioenen met hun geheime verlangens en frustraties beschrijft, of de buurman die Britse tv-series dieper vindt graven dan Amerikaanse, is hij op z’n best.’

 

De val omhoog
 

Het Vrije Volk van 28 april 1977:

‘Een prachtige bundel teksten. Het werk is heel apart. Waard om door velen te worden gelezen. Omdat het zich zo direct aansluit bij alles wat zich in onze werkmaatschappij voordoet. Sommige situaties zal de lezer herkennen als stappend uit zijn eigen bedrijf.

Karel Soudijn in NRC Handelsblad van 18 mei 1979:

‘Of je nu hoog of laag staat in een bedrijf: het zijn meer de menselijke zwakheden dan de briljante visies die de machines draaiende houden. Met een dergelijke boodschap lijken de gedichten van Herman Romer troost te kunnen bieden aan al degenen die zich over- en ondergewaardeerd voelen.’
 

De warmte van het Oude Noorden

Jan Meijer in Het Vrije Volk van 10 oktober 1980:

‘Betty Koswa en Herman Romer hebben elk in hun jeugd enige tijd in het Oude Noorden gewoond. Uit hun gedichten en schetsen blijkt dat zij hun omgeving intensief belééfd hebben. En nóg beleven. Impressies, meer niet. ‘n Bundeltje bij een buurt. Verschenen er maar meer van in Rotterdam.’

De roes van Rotterdam

Bas de Jong in Het Vrije Volk van 17 juli 1982:

‘Wie, zoals ik, nog steeds in de ban is van zijn “Rotterdam in de jaren dertig”, komt in korte, trefzekere schetsen en hier en daar hele fraaie en ontroerende gedichten de zoete plekjes van zijn jeugd weer tegen.’

Zwarte Confetti

H.G. in De Gooi- en Eemlander van 11 februari 1987:

‘Rotterdamser kan het niet in de tien schitterende verhalen die onder de titel ‘Zwarte confetti’ sinds kort de Nederlandse literatuur verrijken.’

De liefde is onderweg

Jan-Hendrik Bakker in de Haagse Courant van 15 januari 1988:

‘Romer heeft een mooi melancholieke pen, een nuchtere Elschot-toon gecombineerd met Blaman-onderwerpen, een Rotterdamsere mélange is al haast niet mogelijk. (..) Maar anders dan bij Blaman zijn Romers verliezers veel meer beautiful losers, mensen wier ondergang een bepaalde glans heeft gekregen in plaats van ontluistering.’

Laten we de charleston dansen

J.G.W. Gielen in Informatie van het Nederlands Bibliotheek- en Lectuur Centrum:

‘Beschrijving, overpeinzing, gebeurtenissen en dialogen zijn in juiste dosering aanwezig. De stijl is helder, levendig, beknopt en trefzeker.’

De trein naar Berlijn

Jim Keulemans in Prisma-Lectuurvoorlichting:

‘Een aangrijpend oorlogsverhaal, trefzeker neergeschreven in een rechttoe-rechtaan-stijl, die toch voor de nodige diepgang zorgt.’

M.J.A. v.d. Berg in Informatie van het Nederlands Bibliotheek- en Lectuur Centrum:

‘Door de ingehouden en sobere verteltrant maakt het relaas grote indruk. Zeer beeldend taalgebruik. Ook voor jongeren een must om te weten hoe erg het is geweest.” Mooi uitgegeven novelle.’

De vlammende stad

Menno Schenke in Algemeen Dagblad van 14 mei 2005:

‘Auteur Herman Romer, van 1931 en ook zo’n kenner van de Rotterdamse geschiedenis, zet in de bundel De vlammende stad een aantal dramatische eigen herinneringen aan en verhalen over bombardement en oorlog op een rij. Romer is een echte verteller met een toegankelijke stijl. Waar Oudenaarden de historische feiten laat spreken, vertelt Romer het historische drama.’

Marcel Potters in Rotterdams Dagblad van 4 mei 2005:

‘Romer schetst een schitterend beeld van die bizarre tijd, de stad, de mensen. Het verhaal van willekeurige Rotterdammers en het verhaal van de oorlog lopen naadloos in elkaar over, met alle treurnis van dien. (..) Met oog voor details, wekt hij de sfeer van het Rotterdam-van-toen tot leven.’

De fusie

Drs. M.L. de Jager, NBD/Biblion, 2009:

'In de fusie van twee verzekeringspartijen worden politiek en strategische spelletjes gespeeld door de machthebbers. Onder het bewind van de directie krijgt De Vroom de opdracht de reorganisatie te leiden. Het personeel van beide bedrijven wordt hierbij gemanipuleerd. De Vroom is een autoritair en een charismatisch leider die zich puur laat leiden door zijn eigen intuïtie en zich daarbij geen zorgen maakt om de gevoelens van de ander.

Een boek vol intriges op persoonlijk en professioneel vlak. Het verhaal speelt zich af in de jaren ’60, deze context komt duidelijk terug in de omgangsvormen binnen het bedrijf.

Het boek is vlot geschreven waardoor het makkelijk wegleest.'

Jan Oudenaarden in Rotterdam PuntUit, januari 2010:

’Het is uiteraard navrant, dat Romer zijn eigen ervaringen in deze wereld als inspiratiebron heeft genomen. Ook hijzelf was in het verleden betrokken bij een grote fusie, die hem niet in zijn koude kleren is gaan zitten.

Het boek speelt aan het slot van de jaren zestig en Romer zet meteen de toon met zijn beginzin: "Het waren de dagen waarin de smerigheid van bodem, water en lucht verontrustend toenam, maar in de financiële wereld de eerste gedachten rezen dat de bomen misschien tot in de hemel konden groeien.”

Onbarmhartig zet Romer de hoofdrolspelers neer, zoals de bestuursvoorzitter Wichelaar, die zich later “president” zal laten noemen.’

Stad van verloren dromen

Drs. A. Schipper MA, NBD/Biblion, 2010:

 

'In deze op feiten en fictie gebaseerde roman, die het dagelijks leven tijdens de oorlogsjaren in Rotterdam beschrijft, toont de auteur (1931), bekend publicist en chroniqueur van de Rotterdamse geschiedenis, zijn verteltalent.

Op basis van historische feiten maakt de schrijver door de ogen van zijn hoofdpersonage Gerard Wildebrand de lezer op meeslepende wijze deelgenoot van een reeks historische gebeurtenissen: de eerste oorlogsdagen, de diverse bombardementen, de steeds erger wordende sadistische naziterreur, het verzet, illegale bonnenhandel, moffenhoeren, de hongerwinter en uiteindelijk de bevrijding en bijltjesdag.

Tussen deze historisch goed gedocumenteerde feiten weeft de auteur het verhaal van zijn hoofdpersonage, waarin naast verdriet en tragiek, goed en fout, liefde en verraad met name het menselijk tekort en de perversiteiten van de bezetter onverbloemd beschreven worden.'

Spionneur in De Oud Rotterdammer,15 juni 2010:

'Eerdere boeken van Romer lieten mij zeer laat in slaap vallen. Dit boek maakte, dat ik een hele nacht niet geslapen heb. ’s Avonds rond 10 uur kroop ik onder mijn dekbed en besloot ‘eventjes’ wat in het boek te lezen.

De volgende ochtend om 8 uur sloot ik het boek; ik had het in één ruk uitgelezen. Ik ging uit bed om te doen waarbij ‘ook de koning te voet gaat’, zorgde voor eten en drinken voor mijn kat en ging weer naar bed.

Ik heb niet het gevoel, dat de fictie aangedikt is. Nergens is het naar mijn mening erger/slechter omschreven, dan wat het werkelijk tussen 1940 en 1945 was. Herman Romer is teveel historicus om met de waarheid op de loop te gaan'

De speeltijd is voorbij

Jan Oudenaarden, Rotterdam Punt Uit, augustus/september 2012: 

'Met "De speeltijd is voorbij" heeft Romer opnieuw een roman gepubliceerd, waarin de Maasstad een vooraanstaande rol speelt.
Intermenselijke relaties vormen een groot element in het boek. Liesbeth, de vrouw van de hoofdpersoon Robert, is overleden en hij zit middenin het proces van rouwverwerking. "Als hij een vertrek in zijn woning betrad, noemde hij in zinsbedwelming soms automatisch de naam van zijn vrouw. Alsof er geen catastrofe had plaatsgevonden."
De huidige politieke en economische malaise speelt een rol op de achtergrond.'

Ad de Laat, NBD/Biblion, 2012:

'Dit boek zou men kunnen zien als een soort raamvertelling, een mozaïek, waarin het hedendaagse leven wordt beschreven van jonge mensen in een metropool, in dit geval Rotterdam. De verhalen bundelen zich als een dik touw waarbij de hoofdpersoon steeds duidelijker getekend wordt: een jonge tekstschrijver, Robert Wester, die al snel zijn vrouw verliest door een ongeneeslijke ziekte. Hij raakt, toevallig, in contact met Merel, een jonge vrouw van 23. Hun relatie lijkt te mislukken maar door letterlijk een knal (een gasontploffing in het appartementengebouw van Merel) komt alles goed. Eigentijds boek, waarin politiek, recessie, seks (ook seksuele onderdrukking en uitbuiting) en maatschappijkritiek tegen de achtergrond van romantiek een rol spelen. Kenmerkend zijn de vele samenspraken in het boek.'
 

De vlucht naar het verleden

Sherry Hussain op haar blog Beauty & Books, juli 2015:

 

‘Ik lees vaak psychologische romans. Maar deze roman van Herman Romer is een beetje een aparte roman(positief). Zijn schrijfstijl is gewoon een beetje poëtisch. Hierdoor had je het gevoel dat je als lezer echt meegesleurd werd in het verhaal. Je wilde weten hoe de hoofdpersoon Sonja zou handelen. Erg sterk zijn de gedachten die Romer heeft weergegeven in het boek. Je beleefde en voelde letterlijk wat Sonja voelde. Haar emotie stond ook erg centraal. Dit laatste zie je weinig in veel boeken. Dat de auteur je emotioneel weet te boeien komt weinig voor. Dit maakt het boek erg bijzonder. Je ziet duidelijk in dit boek dat het verleden een effect heeft op je toekomst. Er zijn weinig auteurs als Romer die de lezer zo weten te boeien dat je je verplicht voelt om door te blijven lezen, net zolang het boek niet uit is. Ik heb deze 242 pagina’s tellend boek ook binnen no-time verslonden. Ik zou dit boek aan iedereen aanraden.’

Marian Verstappen-Naus, NBD/Biblion, 2013:

'Dramatische gebeurtenissen in haar jeugd zorgen ervoor dat Sonja onzeker en timide is, en haar huwelijk versterkt dat. In dit deprimerende verhaal krijgt een jonge vrouw niet de kans haar verdriet te verwerken. Door het manipulerende gedrag van haar man raakt ze verstrikt in haar eigen verbeelding en het trauma van het bombardement in Rotterdam waarbij haar moeder omkwam. Ze vlucht als het ware van het ene trauma naar het oude trauma. De schrijver geeft een realistisch beeld van de ontwikkeling van een jonge vrouw die niet los komt van haar verleden. Hoewel het verhaal tamelijk somber is, blijkt de hoofdpersoon aan het einde toch in staat te zijn vooruit te kijken. Een mistroostig, maar boeiend verhaal van de Nederlandse schrijver (1931).'

Liefde in berooide dagen

Dr. W.A. de Jong-Kumru, NBO Biblion, 10-2-2016:

‘Hoe pakten mensen hun leven weer op na de bevrijding? Tegen de achtergrond van het verwoeste Rotterdam schetst deze roman dat moeizame proces. Aan de hand van vier hoofdpersonages – een teruggekeerde dwangarbeider, zijn schoonzus, een voormalig verzetsman en diens nichtje – laat de auteur zien hoe mensen hun weg probeerden te vinden. In de berooide stad, waar anarchie heerst en de liefde op de vlucht lijkt geslagen, zijn vooral de vrouwen vastberaden de liefde te hervinden.

De in 1931 geboren Rotterdammer Herman Romer schreef historische non-fictie, romans, verhalen en gedichten. Het lot van Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog is een terugkerend thema in zijn werk. Deze vlot geschreven roman is geschikt voor breed publiek en zal in het bijzonder een lezersgroep aanspreken die, evenals de auteur, de oorlog en de bevrijding van dichtbij meemaakte of anderszins geïnteresseerd is zich in die omstandigheden in te leven.’

Rotterdam Centraal

RTV Rijnmond, 30 november 2017:

'Het vijftigste boek van de Rotterdamse schrijver Herman Romer is op donderdag verschenen. In zijn nieuwe roman, getiteld 'Rotterdam Centraal', kan een man de gelijkwaardigheid van zijn vrouw niet accepteren en misbruikt hij zijn macht over haar. Een onderwerp dat toevallig erg aansluit bij de huidige #metoo discussie.

"Er is een ongelofelijke machocultuur in deze maatschappij, dat is niet te ontkennen", zegt Romer. Zijn boek gaat onder meer over een vrouw die gaat scheiden van haar echtgenoot die haar onderwerpt en mishandelt.

"In mijn boek gaat het om de gelijkwaardigheid van man en vrouw. Die hele MeToo discussie heeft me overrompeld, want het thema komt in mijn boek voor en krijgt nu overal veel aandacht. Dat had ik nooit verwacht."

 

Romer vindt wel dat de #metoo berichtgeving - over mannen die hun macht gebruiken om vrouwen te dwingen - een bedenkelijke kant uitgaat. "Ik ben het er wel mee eens anders had ik het in mijn boek ook niet aangeroerd. Dat gedrag van die mannen is natuurlijk schandelijk. Maar ik ben wel bang dat het gaat ontsporen, dat dingen uit zijn verband worden gerukt. Als je als man bijvoorbeeld een vrouw vriendschappelijk op de schouder klopt, had je daar dan eerst toestemming voor moeten vragen? Dat is van de gekke."

Romer vindt dat de discussie tot 'de juiste proporties' moet worden teruggebracht. "En dan moet er krachtig ingegrepen worden bij die mannen die zich daar aan schuldig maken."

Herman Romer schrijft sinds 1965 historische non-fictie, romans, verhalen en gedichten. Het lot van Rotterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog is een terugkerend thema in zijn werk. 

De danszaal in het duister

 

Door Carel van der Velden, Algemeen Dagblad, 7 december 2006:

Herman Romer imponeert met roman over Rotterdam

 

Over Rotterdam zijn bibliotheken vol geschreven. Maar een grote historische roman ontbrak tot dusver. Herman Romer (1931) vult deze leemte op met De Danszaal in het Duister.

Herman Romer schetst zijn meeslepende familiegeschiedenis tegen het decor van een snel veranderend Rotterdam. Een goed einde zit er na 478 bladzijden niet in, maar dat zal niemand met kennis van de vernietigende gevolgen van het bombardement van Rotterdam verbazen.

De karakters zijn verzonnen, zegt Romer. ,,Maar het decor is authentiek. De omstandigheden die ik beschrijf, zijn historisch verantwoord. Er zitten honderden feiten over het leven in het vooroorlogse Rotterdam in verwerkt. Wist je dat er een schaapsherder met zijn kudde over het vroegere vliegveld Waalhaven banjerde? In dat opzicht is het een rijke, volle roman. Eerder in mijn leven had ik dit boek niet kunnen schrijven.’’

Niet toevallig begint Romer het verhaal in 1906, als de jonge zeeman Nicolaas een meisje ontmoet en aan de wal een bestaan wil opbouwen. Zij woont in het Zandstraatkwartier, een helse sloppenbuurt vol duistere kroegen, vrouwen-van-plezier, souteneurs, boksers, waarzeggers en koppelaars. Als haar vader sterft door een loodvergiftiging, houdt een oudere zus van deze Rosie het gezin in leven door haar lichaam te verhuren.

De armoede is bitter, juist op het moment dat de stad bijna bezwijkt onder de massale immigratie. Met Nicolaas vestigen zich duizenden mensen in Rotterdam. ,,Het was een tijd vol optimisme,’’ zegt Romer. ,,De schepen lagen zes rijen dik aan de Boompjes. De zeilschepen maakten plaats voor stoom en de paardentram reed voor het laatst.

 

Betere tijden waren op komst, was de overtuiging.’’

Nicolaas en Rosie staan model voor het rechtschapen type dat met vallen en opstaan een eerzaam bestaan probeert op te bouwen. Andere familieleden hebben een lossere moraal.

Haar jongere broertje probeert rijke weduwes in te palmen. En in ruil voor een leven in welstand levert het jongste zusje zich uit aan even oude als gewetenloze huisjesmelker. Dat alles in een familiesage die zich afspeelt in een decor vol zangers, acrobaten, kroegbazen, pooiers, drukkers van vals geld en ander gespuis.

De meeste schrijvers doen uitgebreid historisch onderzoek om de geloofwaardigheid van hun roman te vergroten. Herman Romer hoefde die moeizame weg niet te volgen. Als onderzoeker en schrijver van tientallen historische boeken vergaart hij al een half leven kennis over het vooroorlogse Rotterdam.

In het boek strooit hij met weinig bekende anekdotes, variërend van de eerste vliegtuigshow van de Belgische luchtvaartpionier Jan Olieslagers in 1910 tot de kermis, de grootste van Nederland, die wegens zedelijk verval werd verboden. Het had iets weg van het carnaval. Meiden van buiten zetten destijds in Rotterdam de bloemetjes buiten. Ze pikten voor een paar dagen een vrijer op en hielden hem vrij, weet Romer uit de overlevering.

,,Het is een monument voor een stad die niet meer bestaat,’’ zegt Romer. ,,Ik wil er vooral de generatie van mijn ouders mee eren. Die hebben enorm gesappeld. En wellicht plaatst het ook de huidige discussie over integratie in een beter perspectief. Wist je dat er honderd jaar geleden ook een enorme botsing van culturen was? De immigranten waren vaak zeer christelijk. Dat botste enorm met de ruwe zeden van de grote stad.’’

Rotterdam in de jaren dertig

Bas de Jong in Het Vrije Volk van 20 november 1981:

 

Rotterdam in de jaren dertig’ is daarom zo’n sterk boek geworden omdat de zorg om het bestaan en de vreugde van dat bestaan zo meesterlijk en trefzeker zijn geëtaleerd.’

 

H. Besselaar in NRC Handelsblad van 5 december 1981:

‘Kleuren, geuren en klanken, ook donkerten, stanken en wanklanken: het boek is er vol van. Juist dit amalgaam is zo karakteristiek voor het beschreven en afgebeelde tijdperk, toen het noodlot aansloop in heel die verwarrende toestand van enerzijds sociale misère en anderzijds ontspanningsdrift. (..) Een boek om stil van te worden.’

Passagieren op 'de Dijk'

Cor Docter in Rotterdams Nieuwsblad van 1 december 1983:

‘Een ongelooflijke hoeveelheid informatie wordt op zo’n vlotte manier verwerkt, dat men eerder een roman dan een historisch werk denkt te lezen. (..) Het is qua uiterlijk en inhoud een sieraad op iedere plank met Rotterdamse boeken.’

Rotterdam in de jaren twintig

Ruud Kuyper in Algemeen Dagblad van 12 januari 1985:

‘Uit alles wat Herman Romer daarover naar boven heeft gehaald, spreekt niet alleen een warm gevoel voor Rotterdam, maar ook een feilloos oog voor betekenisvolle details.’

Rotterdam in de jaren tien

H. Besselaar in NRC Handelsblad van 16 november 1985:

‘Ofschoon Romer ‘pas’ in 1931 werd geboren, zijn die ‘jaren tien’ zo voortreffelijk uitgebeeld dat het de Rotterdammers van een kwarteeuw ouder te moede is alsof ze hun eigen jeugd herbeleven vlak vóór, tijdens en onmiddellijk na de eerste wereldoorlog.’

Rotterdam voordat de bommen vielen (deel 1)

Jim Postma in Het Vrije Volk van 1 maart 1990:

'Rijk geïllustreerd is het een boeiend, zeer lezenswaardig boek geworden. Soms ingetogen somber, dan weer kleurrijk met ooggetuigen-verslagen, maar vooral aangrijpend. Een fascinerend boek dat thuishoort in de boekenkast van elke rechtgeaarde Rotterdammer. Zowel jong als oud!’

Anne Schipper in Informatie van het Nederlands Bibliotheek- en Lectuur Centrum:

‘Een indrukwekkend boek dat een leemte vult in de geschiedschrijving en historische beeldvorming van de meest geteisterde stad in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.’

Huib Goudriaan in Trouw van 11 mei 1990:

‘De Rotterdamse schrijver Herman Romer (geboren in 1931) heeft zich tot taak gesteld in een populair geschiedwerk te vertellen over Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog. En hij heeft de opmerkelijke prestatie verricht, na alles wat er al over de meidagen van 1940 en Rotterdam is gezegd, nog over dit onderwerp te schrijven met de onbevangenheid en frisheid van iemand die dit voor het eerst aanpakt.’

Rotterdam na duistere jaren

Algemeen Dagblad van 14 oktober 1994:

‘En Romer, hij ploegde voort in de geschiedenis van zijn geliefde stad. Weer een mooi boek met onthullende foto’s en onderhoudende teksten, dat hopelijk niet alleen bekeken en gelezen zal worden door de generatie die in de vijf naoorlogse jaren op school heeft gezeten.’

Vrij Nederland van 22 oktober 1994:

‘Wat Romer aan historisch feitenmateriaal biedt is meestal genoegzaam bekend, maar wat zijn boeken, tussen de plaatjes en knipsels door, keer op keer bewerkstelligen is het recreëren van sfeer. En het intrigerende aan deze aflevering over 1945-1950 is dat je voelt en herkent dat er in Rotterdam nog altijd iets van juist die specifieke sfeer over is.’

De laatste jaren van Oud-Rotterdam

H.J.A. Hofland in NRC Handelsblad van 14 februari 1997:

‘De laatste jaren van oud-Rotterdam van Herman Romer begint met een volzin die nog meer waarheid bevat dan er bij de eerste lezing in valt te herkennen: “Het vooroorlogse Rotterdam zal pas voorgoed uit de herinnering zijn verdwenen zodra de laatste voor 1940 geboren Rotterdammer of oud-Rotterdammer afscheid van het leven heeft genomen. (..) Herman Romer heeft een interessante historische toelichting geschreven, gedeeltelijk essay, gedeeltelijk beschrijving van alles wat daar puin is geworden.’

Temidden van het straatgeraas

Anne Schipper in Informatie van Nederlandse Bibliotheek Dienst:

‘Eigenlijk geeft de auteur met dit document humain een samenhangend en legitimerend kader aan zijn eerdere thematische publicaties over Rotterdam en opent een perspectief naar meer publicaties over de jongste geschiedenis van Rotterdam: “Het wordt wordt tijd dat we leren slenteren door de stad”.

Casino-Variété, een tempel van vermaak aan de Coolsingel

Rein Wolters in Rotterdams Dagblad van 25 april 2001:

‘Naast dat Herman Romer de geschiedenis van het Casino-theater globaal schildert, geeft hij ook een korte beschrijving van veel daarin optredende artiesten. Op papier laat hij het theater herleven, steeds tegen het decor van het vooroorlogse Rotterdam en gekoppeld aan smakelijke anekdotes.’

Pschorr Rotterdam. Van café tot danspaleis

Ate van Delden in Doctor Jazz Magazine van maart 2003:

‘Een mooi boek voor wie wat wil weten over het Rotterdam van voor de oorlog en in het bijzonder het muziekleven in die energieke stad.’

Drs. A. Schipper MM, Biblion:

‘Boeiende en zeer verzorgde monografie over het nog steeds tot de verbeelding sprekende Rotterdamse danspaleis Pschorr op de Coolsingel, dat in de meidagen van 1940 letterlijk en figuurlijk in rook en vlammen is opgegaan. De auteur, bekend chroniqueur van de Rotterdamse geschiedenis, brengt een cultureel-historisch en waardig eerbetoon aan dit in 1883 als café-concert begonnen en midden in haar bloei als cabaret-dancing geëindigde etablissement. Een tempel van vermaak zonder weerga, waar vele groten uit de wereld van zang, dans en muziek acte de presence gaven, zoals Josephine Baker, de Ramblers, Louis Armstrong en Louis Davids. In dit met vele - soms zeer zeldzame - zwartwitillustraties verluchte uitgave brengt de auteur dit weergaloze amusement als verdwenen Rotterdams cultureel erfgoed op kostelijke wijze tot leven.’

Fantasie, illusie en betovering. 

 

Carel van der Velden in Rotterdams Dagblad van 15 oktober 2004:

‘De bioscoopgeschiedenis van Rotterdam is een kolfje naar de hand van Herman Romer. De opkomst en ondergang van de diverse bioscopen illustreren de moderne geschiedenis van zijn geliefde stad. En de vertoonde films weerspiegelden zijn geestelijke groei.’

Menno Schenke in Algemeen Dagblad van 26 oktober 2004:

‘De boeken van Herman Romer geven de lezer steevast het gevoel dat hij in het weldadige warme bad van de nostalgie stapt: lekker dromen in het donker. De auteur sprak met ooggetuigen, groef in foto- en tekstarchieven en dook in zijn eigen herinnering.’

Henk van Gelder in NRC Handelsblad van 11 februari 2005:

‘Het boek gaat niet alleen over de grote theaters, en over de grote rol die Abraham Tuschinski speelde, maar ook over de talloze buurtbioscopen. Zoals de Harmonie aan de Gaesbeekstraat, waar de buurtbewoners zich zo thuisvoelden dat ze op hun pantoffels naar binnen gingen. Ook daarvan roept dit boek een levendig beeld op.’

De Filmkrant van december 2004:

‘Prachtige uitgave wordt vooral interessant doordat deze deelgeschiedenis begint bij de allereerste filmvertoningen in Nederland in de stad waarin ooit de eerste officiële bioscoop werd geopend - ook Tuschinski begon zijn carrière hier.

 

Rotterdam in de jaren vijftig

Carel van der Velden, AD Rotterdams Dagblad, 21 november 2007:

'Het stationsplein is al jaren een grote bouwput, het gevolg van de Rotterdamse ambities om een nieuw treinstation te realiseren.

Wie geïrriteerd is door stof, zand en andere vormen van overlast, doet er goed aan Rotterdam in de jaren vijftig te kopen. In dit boek laat Herman Romer de tijd herleven dat de gebombardeerde binnenstad één grote bouwput was. ,,Het was een woestenij waar geselend weer mensen deed voortjachten naar de beschutting van de bebouwing.

Romer (1931) kiest in zijn nieuwe boek voor een historische schets, gebaseerd op zijn eigen herinnering en honderden bronnen. Met het rijkelijk geïllustreerde werk (140 zwart-witfotos, waarvan velen zelden of nooit gepubliceerd) pakt de schrijver een eigen traditie op. In de jaren tachtig schreef Romer boeken over het Rotterdam van respectievelijk de jaren ’10, ’20 en ’30 van de vorige eeuw. Ook schreef hij verschillende boeken over de verwoestende bezettingstijd , een periode waarvan de stad lang de wonden likte.

Romer zoekt aansluiting bij gangbare opvattingen over de jaren ’50. Hij schetst het beeld van een grauw land waarin hard wordt gewerkt om het verwoeste en leeggeplunderde land op te bouwen. De salarissen zijn als gevolg van de geleide loonpolitiek laag. De vrucht van de arbeid wordt vooral gebruikt om te investeren in de wederopbouw.

In Rotterdam is de situatie een graadje erger dan in de rest van het land. ,,In de leegheid van Rotterdam was voor jongeren weinig te beleven, schrijft Romer. ,,Hoe brachten ze hun schaarse vrije tijd door? Sommigen gingen naar een sportclub. Anderen verslonden een spannend uitleenboek. Of ze pikten een goedkoop bioscoopje.

Zelfs deze schaarse vormen van vertier waren voor veel Rotterdammers niet weggelegd. Romer citeert Rein Wolters, de oud-journalist die op Zuid opgroeide en uitgebreid over zijn jeugd in een arm en kinderrijk gezin heeft geschreven. "De kinderbijslag werd gebruikt om de schulden bij de melkboer, de bakker en de waterstoker af te lossen. Van het restant kocht mijn vader goedkope, maar wel degelijke broeken en jasjes. Als oudste knul was ik het beste af. Mijn afdankertjes gingen naar de kleine broers."

De jaren ’50 roept nog steeds tegenstrijdige gevoelens op. Er zijn mensen die warme herinneringen koesteren aan de knusheid, de onschuld, de eenvoud, het fatsoen en de burgerzin die dit tijdperk volgens hen kenmerkte. Herman Romer lijkt voorzichtig op de hand van kritischer geesten. Zij herinneren zich vooral een tijd vol benepenheid, behoudzucht en preutsheid.

Rotterdammers werden na de oorlog bepaald niet beloond voor hun gezagsgetrouwheid, beweert Romer. Op het moment dat het gewonde Rotterdam schreeuwde om geld, gaf de rijksoverheid de schaarse miljarden liever uit aan oorlogsvoering om behoud van Nederlands-Indië. Toen de kolonie verloren ging, raakte de overheid mede vanwege de opvang van duizenden repatrianten verder aan de bedelstaf. W.F. Hermans in 1951: "Holland is een beschimmelde, zure rest, achtergebleven in een uitgeschraapte pan."

Feit is dat er op dat moment nog bijna niets was gebeurd in de gehavende binnenstad. Kort na de oorlog werd alle energie aangewend voor het herstel van de haven. Pas in de jaren ’50, na de bouw van drie bankgebouwen dreunden de heipalen in de binnenstad permanent. En omdat de nieuwbouw zich vooral richtte op kantoren en winkels, bleef de woningnood lang nijpend. Wachtten kort na de oorlog 20.000 gezinnen op een woning, acht jaar later was dit aantal opgelopen tot 23.000.

De moeilijke omstandigheden - tien mensen op een vochtig kamertje waren geen uitzondering - deden veel Rotterdammers emigreren. 340.000 Nederlanders vertrokken. Ook omdat ze door de Koude Oorlog hier geen toekomst zagen.

Als achterblijver zou je er bijna depressief van zijn geworden, maar dergelijke gevoelens kregen volgens Romer nauwelijks een kans.

 

,,Rotterdammers waren ondanks alles optimistisch, in de vaste overtuiging dat met hard werken een goede toekomst te veroveren was.’’

  • LinkedIn Social Icon